Dutch 101

1
een (AIN)
2
twee (TWAY)
3
drie (DREE)
4
vier (VEER)
5
vijf (VAYF)
6
zes (ZEHS)
7
zeven (ZAY-vuhn)
8
acht (AHGT)
9
negen (NAY-guhn)
10
tien (TEEN)
11
elf (ELF)
12
twaalf (TWAHLF)
13
dertien (DEHR-teen)
14
veertien (VAYR-teen)
15
vijftien (VAYF-teen)
16
zestien (ZEHS-teen)
17
zeventien (ZAY-vuhn-teen)
18
achttien (AHGT-teen)
19
negentien (NAY-guhn-teen)
20
twintig (TWIN-tuhg)
21
eenentwintig (AIN-uhn-TWIN-tuhg)
22
tweeëntwintig (TWAY-uhn-TWIN-tuhg)
23
drieëntwintig (DREE-uhn-TWIN-tuhg)
30
dertig (DEHR-tuhg)
40
veertig (VAYR-tuhg)
50
vijftig (VAYF-tuhg)
60
zestig (ZEHS-tuhg)
70
zeventig (ZAY-vuhn-tuhg)
80
tachtig (TAHG-tuhg)
90
negentig (NAY-guhn-tuhg)
100
honderd (HON-duhrt)
200
tweehonderd (TWAY-hon-duhrt)
300
driehonderd (DREE-hon-duhrt)
1000
duizend (DIGH-zuhnt)
2000
tweeduizend (TWAY-digh-zuhnt)
1,000,000
een miljoen (uhn mil-YOON)
number _____ (train, bus, etc.)
nummer _____ (NUHM-muhr)
half
de helft (duh HELFT)
less
minder (MIN-duhr)
more
meer (MAYR)

Featured Video